Bij bepaalde mixen van aminozuren spreekt men graag van een “grote biologische waarde“. Wat wordt er daarmee juist bedoeld?

De biologische waarde is de meest gangbare methode om de kwaliteit van proteïnen te benoemen en te bepalen. Deze houdt ook rekening met de verteerbaarheid van de proteïne.

In tegenstelling tot andere eenheidsmaten wordt de biologische waarde rechtstreeks bij de mens gemeten. Op een nuchtere maag neemt men een proteïne op en er wordt gemeten wanneer er een evenwicht in het stikstofgehalte bereikt wordt.

De biologische waarde is een index. De aantallen moeten in verhouding tot een volledig ei geïnterpreteerd worden. Een volledig ei heeft een biologische waarde van 100. Wanneer men bijvoorbeeld tweemaal een eiwit nodig heeft in de plaats van een volledig ei, om een evenwichtig stikstofgehalte te verkrijgen, dan bevat deze proteïne in verhouding slechts een biologische waarde van 50.

Een vaak gemaakte fout of misverstand: De “100” bij een volledig ei wil niet zeggen dat “100%” van de aminozuren uit dit ei gehaald worden. Het is enkel een willekeurige waarde om een ei met andere proteïnen te vergelijken. Er bestaan verschillende andere proteïnen en in het bijzonder andere combinaties van proteïnen, die een hogere biologische waarde hebben.

In het resultaat meet men met de biologische waarde (BW) en hoe goed een voedingsproteïne in lichaamseigen proteïne kan worden omgevormd, en wel in verhouding tot een volledig ei.

Belangrijk om te begrijpen: indien één van de negen essentiële aminozuren ontbreekt, dan is de biologische waarde van de voedingsproteïne altijd nul. Zo bevat gelatine bijvoorbeeld geen tryptofaan. Gelatine kan daarom door het lichaam niet in een proteïne omgezet worden, zonder dat het lichaam tryptofaan uit andere bronnen haalt.

Maximale biologische waarde met proteïnemixen

Net als elk essentieel aminozuur dat in de proteïne aanwezig is, is de hoeveelheid altijd de beperkende factor. Wie doelgericht dierlijke en plantaardige eiwitbronnen mengt, kan de biologische waarde tot 136 verhogen:

0
36% eieren,

64% aardappelen

0
70% weiproteïne,

30% aardappelen

0
75% melk,

25% bloem

0
60% eieren,

40% soja

Onthoud bij de interpretatie van de mixen dat: Het bij de procentuele getallen gaat om de geïsoleerde eiwitten die nodig zijn. Het zijn dus niet de 36 gram eieren en de 64 gram aardappelen, die voor zulke goede biologische waarde zorgen, maar wel een mix met in verhouding 36 gram eiwit uit een ei en 64 gram eiwit uit aardappelen. Om 10 gram eiwit uit aardappelen te verkrijgen, heeft men wel een halve kilogram aardappelen nodig.

Share and help your friends...Share on Facebook0Share on Google+0Tweet about this on TwitterEmail this to someoneShare on Tumblr0